‘Haal de koeien naar binnen. Tijd om de boel af te sluiten voor de nacht.’ Daar kwamen drie koeien, briesend in het halfduister, zwiepend met hun staart, vel over been. Lomp plantten ze hun hoeven tussen de mannen. De vlammen van het vuur dansten in hun ogen. In de deuropening zweefde de maan tegen de berg.
‘Of O’Shea heeft ze de berg over,’ zei Connor. Connor was hun kostbaas. ‘Drie koeien heeft mijn grootvader ooit gepikt van de zijne. Er gaat geen nacht voorbij dat ie niet probeert om die rekening te vereffenen.’
‘Oud zeer,’ zei Claffey. ‘D’r gaat niks boven.’
Pybus spoog op de grond. ‘O’Shea, die gunt je nog je oorpijn niet. Die gunt je je puist nog niet als je d’r een had. Nauwer als een naald, die ziel van hem.’
‘Zeg Connor,’ zei de Reus. Hij klonk belangstellend.
‘Wat zou je doen als je vier koeien had?’
‘Daar kan ik alleen maar van dromen,’ zei Connor.
‘Maar met de ruimte in huis?’
Connor haalde zijn schouders op. ‘Ze zouden toch naar binnen moeten.’
‘En als je zes koeien had?’
‘Dan zaten de mannen verder van het vuur,’ zei Claffey.
‘En als je tien koeien had?’
‘Dan stonden de koeien binnen en sliepen de mannen buiten,’ zei Pybus.
Connor knikte. ‘Dat is wel zo, ja.’
De Reus lachte. ‘Mooie kostbaas ben jij. Dan sliepen de mannen buiten!’