De zon brandde fel op het asfalt van de Duitse snelweg die zich eindeloos voor haar uitstrekte. Ze had veel te lang haar blik strak op de weg gehouden, terwijl haar gedachten alle kanten op gingen, als een oneindige stroom waaruit ze maar niet wist te ontsnappen. Ze zette haar zonnebril af en legde hem in het bakje tussen de stoelen. Met de vingertoppen van haar rechterhand wreef ze over haar slaap. Ze kneep even in haar neusbrug, waarna ze haar vingers over haar wallen liet glijden, van de ene ooghoek naar de andere. Hoelang reed ze al in deze stilte? Naast haar was Margot nog steeds diep in slaap, haar hoofd rustend op het vest dat ze bij wijze van kussen tegen het zijraampje had gelegd. Haar lange rode haar lichtte fel op in het zonlicht. Ineens kwam de verstikkende spanning, die even naar de achtergrond was verdwenen, op volle kracht terug. Wat was ze in godsnaam aan het doen? Waarom zat ze, samen met een vrouw die ze nauwelijks kende, in haar auto om een reis van drieduizend kilometer af te leggen? Hoe had ze dit in haar malle hoofd gehaald? Ze klemde haar zweterige handen nog eens extra stevig om het stuur. Jarenlang was het haar gelukt een scherpe lijn te trekken tussen toen en nu, tussen daar en hier. Ze had ervoor gekozen vooral in het heden te leven, in een overzichtelijke en ordelijke wereld die haar deed denken aan een compositie van Mondriaan. Een grote reproductie van Tableau 1 hing al jaren aan de muur in haar gang. Maar drie weken geleden waren die strakke lijnen in haar binnenwereld plotseling afgebrokkeld en begonnen de eerst zo zorgvuldig gescheiden kleuren in elkaar over te lopen.