Dus Gelon zegt tegen me: ‘Kom, laten we naar  beneden gaan en de Atheners te eten geven. Het is perfect weer om Atheners te eten te geven.’
Daar heeft Gelon gelijk in. De minuscule zon staat wit te branden aan het hemelgewelf en je voelt de stenen gloeien wanneer je erlangs loopt. Zelfs de hagedissen verschuilen zich, alleen hun kopjes steken af en toe van onder rotsblokken en boomwortels vandaan, alsof ze willen zeggen: wat de fuck ben jij aan het doen, Apollo? Ik stel me de Atheners voor, dicht op elkaar, puffend, met uitgedroogde tongen en priemende ogen op zoek naar een beetje schaduw.
‘Daar heb je gelijk in, Gelon.’ Gelon knikt. We gaan op weg met zes geitenleren zakken, vier met water en twee met wijn, een pot olijven en twee blokken van die stinkkaas die mijn ma maakt. Ach, wat is het toch een mooi eiland, dat van ons, en soms denk ik dat de sluiting van de fabriek mijn kans is om een nieuw leven te beginnen. Dat ik misschien zou moeten weggaan uit Syracuse om een huisje aan zee voor mezelf te zoeken. Geen onverlichte kamers, klei en rode handen meer, maar de zee en de lucht, en dat wanneer ik thuiskom met de vers gevangen vis over mijn schouder, zij daar is, wie het ook gaat worden, en me ontvangt met een lach. Die lach, ik hoor hem nu en hij klinkt lieflijk en hartverwarmend.