Het begint niet met een wit blad papier, maar met een wit blok. Ik ontdek het als ik op het buitendek van de veerboot met een bekertje koffie aan de reling ga staan en naar de Thracische Zee kijk, een stralende vlek onderaan mijn gezichtsveld. Het duurt even voor ik het begrijp, al snap ik er niets van: het is een brok, een onzinnig grote brok massief marmer, de zijkanten bij benadering rechthoekig, een kubus bijna, plomp en perfect. Je kunt je verschijningen niet zelf uitzoeken. Ze overvallen je, net als verliefdheden, vanuit je ooghoek, ineens, onverhoeds, uit het niets. Beladen met betekenis versperren ze je de weg. Je staat daar als versteend en houdt je adem in, klaarwakker,  eerbiedig en verontwaardigd. Wat kan hemeltergender zijn dan een meerdere meters hoog en meerdere meters breed blok zeep-achtig wit marmer op zijn weg naar de wereld?

Het is begin augustus, even na zevenen, de zon is al op, maar nu verdwenen achter een armada van veelvormige wolken, allemaal even doorschijnend blauw als de heuvelachtige Oost-Macedonische kust aan de horizon, waar we gemoedelijk op afstevenen. De stemming is ingetogen: dieselmotoren ronken, kofferbakken worden dichtgeslagen, broodkruimels in de wind gegooid en door krijsende meeuwen opgevangen in hun vlucht. Ik adem uit, drink mijn koffiebeker in één teug leeg en ga via de stalen trap aan bakboord naar het autodek, zonder het blok uit het oog te verliezen.