Franz Escher zat nog steeds op de elektricien te wachten, toen hij klaar was met de puzzel. Voor de zekerheid checkte hij of hij niet per ongeluk de bel had uitgezet. Omdat zijn garderobestang boven de intercom was gemonteerden zijn jassen en mantels het rode controlelampje van de muteknop aan het zicht onttrokken, vergat hij soms dagenlang de bel weer aan te zetten. Als hem dat overkwam, vroeg hij zich telkens af of hij al vergeetachtig begon te worden. Maar met de intercom was alles in orde – Escher bevond zich gewoon in de gebruikelijke eeuwigdurende wachttoestand waarin je belandde als werklui niet kwamen opdagen.

Escher was niet bovenmatig ongeduldig van aard, maar hij hield er niet van als hij te weinig omhanden had en over zijn leven begon na te denken. Zijn brein ging zich dan bezighouden met overbodige dingen zoals de vraag of zijn leven anders was gelopen als hij een andere naam had gehad. Terwijl juist die naam hem meer dan dertig jaar geleden het verjaardagscadeau had opgeleverd dat hem voor de rest van zijn leven zou begeleiden.

Voor zijn negentiende verjaardag had hij een paar mensen uitgenodigd. Zijn beste vriend Andi, drie schoolkameraden, het stelletje uit de gehorige woning naast die van hem dat hij liever uitnodigde voor ze gingen zeuren, alsook zijn medestudente Daniela en haar betoverende huisgenote. Escher was er trots op dat hij er bij het uitnodigen van Daniela in geslaagd was als het ware terloops tegen haar zwijgzame vriendin te zeggen dat zij ook best mocht komen als ze niets beters te doen had. Om haar was het hem eigenlijk te doen, maar met de terloops-truc verzachtte hij de smaad van een voorspelbare afwijzing.