Een landweg, een stalen vakwerkbrug, de zon die pijlers en asfalt verhit, rivier en aarde, en de huid van twee bijna naakte jongens, of mannen. Op droge lucht wordt een vleugje meegevoerd van iets wat randt in de verte; elzen en populieren, net over hun groenste punt heen, steken levendig af tegen het grijze water. De jongens-of-mannen zijn vrienden, ze balanceren blootsvoets op de veiligheidsreling, ze wachten even af, kijken elkaar aan en dan: naar beneden. Er wordt nerveus gelachen, er worden voorbereidend knieën gebogen. Dolle pret, zegt Adam, en ze doen een stap naar voren. Voor ze vallen, lijken ze onmogelijk lang in de lucht te hangen, lang genoeg om Adam de lichte kromming van Teddy’s rug te laten opmerken, de tong van vettig haar in zijn nek, de regelmatige knopen van zijn ruggengraat. Hij heeft een moedervlek tussen zijn schouderbladen waarvan hij zelf waarschijnlijk niet eens weet dat die er zit. Ze horen elkaars naam al jaren, hebben dezelfde klaslokalen verduurd en zijn lid geweest van dezelfde verschuivende sociale kringen die tijdens uitstapjes en in de weekends worden gevormd. Maar in de afgelopen paar maanden is hun vriendschap in een stroomversnelling geraakt. 

Ze vallen.