Toen, in die zomer bijna dertig jaar geleden, woonde ik in het westen en ver weg van het water. Ik had een een kamerwoning in een nieuwbouwwijk van een middelgrote stad en werk in de sigarettenfabriek. Het werk was simpel, ik moest erop toezien dat de streng tabak helemaal recht in de snijmachine terechtkwam, dat was al les; eigenlijk deed de machine het, die had een sensor waar de streng snorrend langs kwam, en als hij niet recht lag kwam de machine tot stilstand. (Die deed dat op de manier van iemand die tegen een muur loopt, ze stopte met een vreselijke schok.) Deze sensor werkte vaak niet, daarom stond ik naast de machine om de streng in de gaten te houden, ik trok hem recht als hij schuin kwam te liggen. Van zeven tot twaalf, een halfuur middagpauze en daarna nog eens drie uur. Ik keek best vaak weg. Ik keek naar de snijmachine, waar de streng in afzonderlijke sigaretten werd gesneden, waar duizenden sigaretten uitvielen, al die sigaretten die de mensen in de stad zouden oproken. Voordat ze naar het werk gingen. In de pauze. Na het eten. Tijdens een ruzie. Tijdens het vrijen en na het vrijen.

Rook.