Er stormt een meisje uit het bos. Ze strompelt de weg op, probeert haar evenwicht te bewaren, de vieze hakken van haar sportschoenen werpen geel zand om hoog, maar ze wacht niet, zelfs niet om het bezwete haar uit haar gezicht te vegen. Ze is lang voor haar leeftijd en daardoor lijkt ze ouder dan ze is – amper dertien – en op dit moment lijkt ze geen controle over haar lichaam te hebben, terwijl ze over de weg rent, trillende knieën bij elke stap. Maar ze stopt niet. Dat durft ze niet.
De avondlucht voelt dik, alsof iemand een oven open heeft gezet. Aan beide kanten van de weg beweegt het Spaanse mos in de takken van de knokige cipressen en vallen schaduwen tussen de oude hut van een eendenjager en een omgedraaid vissersbootje, dat wegzakt in het onkruid als het skelet van een dier dat al lang geleden is doodgegaan. Boven haar krabt de maan zich los uit de verstrengeling van takken en het meisje kijkt over haar schouder. Ze hijgt zo hard dat er kleuren vanuit het niets in haar ooghoeken opduiken. Ze heeft gruis in haar mond, en haar keel voelt zo rauw dat het lijkt alsof ze bloedt. Maar de weg achter haar is uitgestorven. Toch blijft ze rennen.
Er komt niets uit het bos.