De sneeuwkristallen dalen langzaam door de duisternis en vlijen zich op het stadje. Het droge, knerpende geluid van mijn voetstappen is het enige wat de stilte in de straten doorbreekt. Witte rook stijgt langzaam op uit de schoorstenen van de oude, donkere houten villa’s. In sommige tuinen staan miniatuurreplica’s in dezelfde bouwstijl, als vogelhuisjes. Rond de lampen van de straatlantaarns ontstaan stralenkransen, geheel volgens de wet van verstrooiing van licht in gekristalliseerde watermoleculen. 
De sneeuw, die al wekenlang valt, heeft alle scherpe hoeken en randen uitgegumd en een wereld van zachte contouren geschapen. Alles heeft zich in zichzelf teruggetrokken, in een diepe, serene sluimering, alsof het provinciestadje slechts een verlengstuk is van de bossen eromheen. De bomen en struiken zijn bevroren, veel takken buigen door naar de grond. Insecten en dieren schuilen in hun nesten en holen, de mensen onder hun warme dekbedden.
In een dergelijke winternacht doet de stad denken aan het siervoorwerp dat veel mensen vlak voor Kerstmis uit de kelder of van zolder halen: die kleine glazen halve bollen, gevuld met vloeistof met daarin een idyllische microkosmos. Als je de bol omdraait of schudt, begint het te ‘sneeuwen’.