Ik zag haar voor het eerst op een foto in de krant. Hoewel ze op een soort betonnen plaat in een dichtbegroeide tuin zat, kon je zien dat ze lang was. Haar koperblonde haar, dat tot over haar schouders viel, omlijstte een fijngetekend gelaat, het soort katachtige schoonheid dat sommige mensen aan een kunstwerk doet denken, delicaat en ongetemd tegelijk. Ze had een brutale pony, zoals meisjes die vroeger droegen. ‘Meisje’, dat zelfstandig naamwoord paste bij haar. Ze zag er jaren jonger uit dan de leeftijd die je uit het artikel kon opmaken: vierenzestig. Ze droeg een blauw shirt met lange mouwen, een strakke spijkerbroek, open schoenen met sleehak en touwzolen. Ze was slank, bezat een natuurlijke wulpsheid en straalde de nonchalance uit van iemand die wel vaker op de grond zit zonder haar waardigheid te verliezen. Ze keek omhoog. De foto had een vruchtbare en tegelijkertijd dreigende sfeer, met een waterig licht dat het geheel iets dromerigs gaf (ze had er spijt van dat ze zich daar had laten fotograferen, in die te herkenbare tuin, want een van‘die lui’ zou haar zomaar kunnen vinden en haar ‘een angstig moment, een nare ervaring’ kunnen bezorgen). Opvallend waren haar compacte, grove, grote handen; luide muziek in verhouding tot het verder vrij subtiele geheel. Haar ogen waren niet zichtbaar, maar ze zijn blauw. De kop boven het artikel, geschreven door Mariana Carbajal en gepubliceerd op 27 maart 2021 in de Argentijnse krant Página/12, luidde: ‘De ontvoering van Silvia Labayrú: haar aankomst op de esma en haar bevalling in gevangenschap’. Er stond een fout in, het accent: haar achternaam is Labayru, niet Labayrú. Maar de dag waarop ik dit bericht las, in de papieren zondagseditie, wist ik niet wie deze vrouw was en was ik ook niet geïnteresseerd in de spelling van die tekst, waarin zij vertelde: ‘Op 29 december 1976, toen ik twintig jaar oud was en vijf maanden zwanger, werd ik […] naar de kelder van de esma gebracht […], waar ik in een kamertje werd gemarteld […], een beruchte plek die “Avenida de la Felicidad” werd genoemd. Daar ben ik ondervraagd, een tijdlang gemarteld. […] veertien dagen lang moest ik dag en nacht [luisteren] naar het geschreeuw van mijn kameraden die in de martelkamers terechtkwamen.’